De ochtend begint in Igoumenitsa, de havenstad waar je de nacht hebt doorgebracht. Het zeewater glinstert nog in de vroege zon, de lucht ruikt naar zout en dennen. Je start de motor en verlaat de stad via rustige lokale wegen richting het binnenland.
De route voert door het Epirus-gebergte, glooiend en groen, met rivieren die glinsteren tussen de valleien. Kleine dorpen duiken op langs de weg: witgekalkte huizen, oude kerken, en kinderen die zwaaien naar voorbijrijdende motorrijders. Het asfalt is soms smal, maar goed onderhouden, en de bochten zijn soepel — een genot om te rijden.
Langs Ioannina volg je de oude hoofdwegen, kronkelend langs het meer en door bossen. De lucht is fris, de motor reageert onmiddellijk op elke beweging. Hier voel je echt dat je in het hart van Griekenland rijdt: weinig verkeer, de horizon gevuld met bergen en diepe valleien.
Na Patras wordt het landschap vlakker en lichter. Kleine dorpjes en olijfboomgaarden wisselen elkaar af, en je voelt dat je het westen van de Peloponnesos nadert. De wegen blijven rustig, je geniet van de vrijheid, totdat je de Rion-Antirionbrug nadert.
Hier is een kort stukje snelweg nodig om de brug veilig over te steken. Het uitzicht over de Golf van Korinthe is adembenemend: blauwe zee, bergen op de achtergrond, de brug die elegant zweeft boven het water. Even vertragen, het moment opsnuiven, en dan de laatste kilometers naar Rio, waar de motor eindelijk tot stilstand komt.
Rio zelf is klein, rustig, met de stad Patrasso op de achtergrond. De middagzon verlicht de haven, en je voelt dat je klaar bent voor de volgende fase van de reis: de kronkelende wegen richting Athene.