In Ragusa begint de dag langzaam, met zon over de barokke gevels en koffie op een terras dat naar jasmijn ruikt. De motor echoot door de smalle straatjes wanneer je de stad uit rijdt, richting Niscemi.
De route slingert door het zuiden van Sicilië — warm, open, stil. De velden zijn goudgeel, de lucht helderblauw, en de dorpen liggen verspreid over de heuvels als schelpen aan een strand. Je passeert Gela, waar de zee plots weer opduikt, breed en blauw. De weg loopt er vlak langs, met af en toe een bocht waar de horizon zich opent en de wind zout smaakt.
Vanaf hier volg je de kustweg westwaarts. De zon staat hoog, het asfalt glanst. Olijfgaarden en cactussen wisselen elkaar af, en de lucht trilt van warmte. Tegen de avond rij je Agrigento binnen — moe, voldaan, met de geur van zee en geschiedenis in je helm.
Beneden ligt de Vallei der Tempels, badend in goud licht, alsof de goden zelf nog even hebben gekeken hoe laat het is.