De ochtend begint in Cefalù, waar de lucht nog koel is en het geluid van de zee zacht tegen de kade slaat. Je laat de kust achter je en rijdt landinwaarts, het Siciliaanse binnenland in. De weg stijgt langzaam, slingert door bossen en dorpen die op heuveltoppen liggen als wachters uit een andere tijd.
Langs Castellana Sicula en Polizzi Generosa voert de route door het hart van het Madonie-gebergte. Hier ruikt het naar tijm en dennen, de lucht is helder, en het asfalt kronkelt als een lint door de bergen. In de verte zie je schapen grazen en soms een oude Lancia die met moeite de helling opgaat.
Bij Cammarata opent het landschap zich weer. De heuvels golven, het licht wordt warmer, de horizon wijd. Je volgt de weg richting de kust, en tegen de namiddag zie je Agrigento liggen, hoog op een heuvel boven de zee.
Daaronder, in het late zonlicht, schittert de Vallei der Tempels — rijen Dorische zuilen, goud in het stof van de avond. Je zet de motor stil en kijkt. Het is alsof de tijd hier stilstaat, alsof de motorreis van vandaag een brug was tussen werelden: van zee en berg, van heden en oudheid.