De ochtend in Cassino begint met zonlicht dat over de heuvel van Montecassino glijdt. De abdij waakt stil boven de stad terwijl jij de motor start en het geluid weerkaatst tegen de oude muren. De lucht is warm en droog — het zuiden is begonnen.
De eerste kilometers voeren door het stille platteland van Lazio, tussen wijngaarden en lage heuvels. Je volgt de binnenwegen richting Atina en Sora, waar het asfalt kronkelt langs rivieren en cipressen. De geuren veranderen langzaam: van vochtige aarde naar olijfblad en stof, die typische geur van Zuid-Italië in de lente.
Tussen de bergen van het Parco Nazionale d’Abruzzo rij je door smalle dalen waar adelaars cirkelen en geiten over de rotsen trekken. Het verkeer is minimaal — af en toe een oude Fiat, een herder, een motorrijder die groet met twee vingers. De weg slingert verder, klimmend, dalend, met vergezichten die eindeloos lijken.
Na Castrovillari opent het landschap zich. De Apennijnen blijven achter in de spiegel, en in de verte verschijnt een streep blauw — de Tyrreense Zee. De geur van zout vult de lucht nog voordat je het water ziet.
De laatste kilometers naar Scalea zijn puur genieten. De kustweg slingert tussen kliffen en uitzichtpunten, het asfalt licht gloeiend in de zon. De zee glinstert, het licht is fel, en de wind draagt een vleug van jodium en vrijheid.
In Scalea zelf vind je een oud stadshart dat tegen de heuvel is gebouwd, met steile straatjes en uitzicht over het water. Je parkeert de motor op het plein, waar de zee ruisend op de achtergrond klinkt en het geluid van stemmen en glazen zich mengt met de avondlucht.
Na dagen vol bergen, bochten en stilte voelt dit als een beloning — de eerste echte adem van de Middellandse Zee. Morgen lonkt de kust naar het zuiden, en ergens daar, voorbij de horizon, ligt Sicilië te wachten.