De zon klimt vroeg boven de zee wanneer je Scalea verlaat. De lucht is al warm, het zout van de Tyrreense kust hangt in de ochtendwind. De motor bromt zacht terwijl je de kustweg opzoekt — een lint van asfalt dat zich tussen rotsen en blauwe horizon slingert.
Je rijdt zuidwaarts, langs kleine stadjes die wakker worden: Diamante, Paola, Amantea — namen die klinken als beloftes van zon en zee. De huizen hangen aan de heuvels, vissersboten dobberen nog op het water. Hier is Italië trager, vriendelijker. Soms staat er een oude man langs de weg, hand omhoog, alsof hij elke motorrijder persoonlijk wil groeten.
De route volgt grotendeels de SS18, een van de mooiste niet-snelwegen van het zuiden. De bochten zijn vloeiend, het uitzicht eindeloos: links de bergen van Calabrië, rechts de glinsterende zee. Je stopt af en toe — een espresso in een strandbar, een paar woorden Italiaans, een blik over de kustlijn die maar blijft doorgaan.
Bij Vibo Valentia wordt het land ruiger, de weg smaller. De lucht is zwaarder, warmer. De geur van hars, zout en dennen vult je helm. Dan, bij Scilla, komt dat magische moment: je ziet de overkant. Sicilië — vaag maar onmiskenbaar, aan de andere kant van de Straat van Messina.
De laatste kilometers naar Villa San Giovanni gaan snel, alsof de motor zelf voelt dat het einde van het vasteland dichtbij is. De ferry wacht al, motoren verzamelen zich in rijen, helmen af, gezichten vol stof en glimlach. De overtocht duurt kort — twintig minuten, misschien iets meer — maar het voelt als een grens tussen werelden.
En dan, in de late middag, rijd je van de boot af in Messina. De lucht is zachter, het licht warmer, en de geur... Siciliaans. Citroen, zee en benzine, gemengd in één adem.
Je bent op Sicilië. De bergen lonken in de verte, Palermo is nog ver, maar het eiland voelt meteen als een belofte. De dag eindigt met een glas wijn aan de kade, het geluid van golven en de motor die langzaam afkoelt.
Een nieuw hoofdstuk is begonnen.