De ochtend in Cagli begint met het zachte geluid van kerkklokken en het gezoem van een stad die langzaam wakker wordt. De lucht is fris, de stenen muren dragen nog de koelte van de nacht. Je start de motor; het geluid echoot tussen de smalle straten voordat het open land je weer verwelkomt.
De weg zuidwaarts kronkelt door de Marche, over lage bergpassen en langs valleien vol olijfbomen en wijngaarden. In de verte schittert af en toe de Adriatische Zee, maar jij houdt koers landinwaarts — richting het ruige binnenland van Umbrië. Hier zijn de dorpen klein, de bochten strak en het asfalt soms ruw, maar elke kilometer voelt als een ontdekking.
Bij Spoleto en Terni ontmoet je de rust van eeuwenoude steden: stenen pleinen, fonteinen, schaduw onder lindebomen. De route blijft afwisselend — even door een bos, dan weer open velden met oude boerderijen waar de geur van houtvuur hangt.
Dan komt het moment waarop de Apennijnen weer dichterbij komen. Je klimt opnieuw, deze keer hoger, de lucht wordt ijler, frisser. Rond Rieti en Frosinone is de natuur stiller, ruiger. Je passeert verlaten kerken, bergdorpen die lijken vastgeklemd aan de rotsen.
Na uren rijden opent zich plots het brede dal van Cassino. In de verte zie je de beroemde abdij van Montecassino, hoog op de heuvel, badend in het late zonlicht. Een plek vol geschiedenis — heropgebouwd na de verwoestingen van de oorlog, symbool van standvastigheid en stilte.
De afdaling naar de stad is rustig. De motor bromt nog na, de lucht is warm en vol avondgeluiden. Cassino zelf leeft op rond deze tijd: scooters, stemmen, geuren van pizza en koffie.
Je zet je motor stil met uitzicht op de abdij. De dag is lang geweest, vol contrasten — bergen, dalen, dorpen, en die eindeloze, kalme ritmiek van Italië. Morgen wacht het zuiden. Misschien Napels, misschien de kust. Maar vanavond is het genoeg om gewoon hier te zijn — tussen geschiedenis en stilte, met het geluid van afkoelend metaal naast je.