Je vertrekt in de vroege ochtend vanuit Verdun, terwijl de mist nog laag over de velden hangt. De motor bromt zacht wanneer je de stad achter je laat en via kleine D-wegen richting Commercy rijdt. Het landschap golft rustig, met afwisselend open velden, bossen en kleine dorpen waar de tijd langzaam lijkt te gaan.
Na Commercy volg je de weg richting Neufchâteau en Langres, steeds zuidwaarts, zonder ook maar één tolpoort of snelweg te zien. De route is puur Frans: smalle landwegen, stenen huizen met luiken, en af en toe een café waar de geur van vers brood naar buiten waait. In de buurt van Vesoul begint het landschap te veranderen. De heuvels worden hoger, de bochten scherper, en je voelt dat je de Jura nadert.
Je rijdt tussen groene valleien en beboste hellingen, waar beekjes langs de weg glinsteren in het zonlicht. De lucht ruikt naar dennen en nat gras, en de motor klinkt hier net wat dieper, alsof hij de stilte respecteert.
Aan het eind van de middag daalt de weg langzaam af richting Besançon. De stad ligt in een bocht van de rivier de Doubs, omringd door heuvels en oude vestingwerken. Wanneer je de motor parkeert en afstapt, kijk je even om. De rit van Verdun naar Besançon was geen haastige verplaatsing, maar een ontdekking van het rustige, echte Frankrijk — kilometer voor kilometer, dorp na dorp.